Zoek op categorie
Zoek op auteur

Menu
Nieuwe titels
Auteurs
Verwacht
Specials
Aanbiedingen
Manuscript Inzenden
Archief
Links
Yorgos Dalman PDF  | Afdrukken |  E-mail

Yorgos Dalman (1973 – woonachtig te ’s-Hertogenbosch) is de schrijver van regenachtige verhalen, mistroostige flarden afbraakliteratuur, straatkronieken, taferelen vanuit de goot en in achterafsteegjes, film noir, de schijn van American short stories, fragmenten die vallen als de desolate pianotonen van Erik Satie… Zijn personages zijn vaak verward, verwaarloosd, eenzaam, naakt, dolend, soms blind van angst of luisteren naar Nick Cave.

Yorgos Dalman werkt in zijn vrije tijd met demente bejaarden, somatisch zieken en mensen met een visuele handicap. Verder is hij werkzaam op een werkplaats annex inpakbedrijfje voor mensen met een verstandelijke beperking. Is tevens columnist voor OverDwars, het personeelsblad van de GGz, regio Den Bosch en vertaalt zo nu en dan voor Passionate Magazine Amerikaanse genreverhalen (van D. Harlan Wilson, Poppy Z. Brite en Thomas Ligotti).

Zijn eerste boek De vrouw in de kamer verscheen in de herfst van 2004 bij Uitgeverij Passage. De verhalen hierin verschenen eerder in literaire tijdschriften in Nederland, België en in zijn eigen vertaling ook overzees in Amerika en India.

Op een mooie nazomerdag in 2009 verscheen Tango in het slachthuis. Die tweede bundeling is zo mogelijk nog somberder en obscuurder. Maar wat weer een poëzie in deze verhalen!

Boekingen via SSS; meer informatie over Yorgos Dalman op Google.

Om wat meer over Yorgos Dalman te weten te komen plaatsen onderstaand interview. Het is illustratief.

'Schrijven is eenzaamheid, en nog wel een die zelfopgelegd is.'

Joris Geelen in gesprek met Yorgos Dalman

(interview afkomstig uit Kommerenkwel)

Herfst 2004 debuteerde de Bossche schrijver / dichter / vertaler / maniac d'écriture et du film de pulp Yorgos Dalman (1973) bij Uitgeverij Passage. Zijn debuut, de verhalenbundel De vrouw in de kamer, is naar verluidt de meest eigengereide verhalenbundel sinds Maarten Biesheuvels In de bovenkooi. Of dit ook zo is? Dat maakt u zelf maar uit wanneer u het boek leest. Maar wie is de vent achter deze eigengereide vorm? Wie is `De schrijver in de kamer', en waarom?

Lekker een open deur allereerst. Waarom schrijf je? Iedereen doet het. En ik behoor graag toe aan een middenmoot. Hoeft niet per se de middenmoot te zijn; elke gemiddelde moot is mij voldoende en immer om het even. Soms moet je iets doen, heel soms, om het kale feit dat je het kan. En uiteindelijk is het beste antwoord in dit geval een ontwijkend antwoord: `Men vraagt toch ook nooit aan een accountant waarom hij graag accountert, of aan een gewichtheffer waarom hij graag gewicht heft. Waarom wordt die vraag dan toch altijd weer wel aan schrijvers gesteld?'

Omdat het publiek dat literatuur wil duiden, antwoord wil op de vraag waarom een literair werk is gemaakt. Zou het ook niet van onmacht en domheid getuigen als het publiek dat niet zou willen? Mensen zijn bang voor zelfreflectie en dus roepen ze altijd dat ze willen weten wat de schrijver bezielde, om zich maar niet hardop af te hoeven vragen wat henzelf bezielde, toen ze werden geraakt/afgestoten/verrast/ontroerd door een verhaal. Nee, andermans mening is toch altijd veiliger. De `waarom-vraag' is zo minder intiem en dus minder bedreigend voor ze. En bovendien: mensen moeten niet zo zeiken. Ze kunnen beter het mos van oude monumentale gebouwen afkrabben of wat dijken gaan ophogen. Dat heeft meer zin, denk ik.

Literaire dijken misschien? Die een razende stormvloed van woeste lectuur buiten moeten houden? Zullen we afspreken dat ik hier degene ben die met allegorieën strooit?

Zullen we afspreken dat ik hier degene ben die de vragen stelt? (…) Mooi zo. Is schrijven een wapen tegen eenzaamheid? Schrijven is eenzaamheid, en nog wel een die zelfopgelegd is. En elke schrijver die waagt te klagen over eenzaamheid is pathetisch te noemen. Kruip van achter de digitale geraniums vandaan en begeef je onder de mensen, zou ik zeggen. Help bejaarden, dans met zwakzinnigen of zing met een koor blinden.

Wat is dan het beste wapen tegen die alles verterende eenzaamheid? Lezen.

Und..? Goed, je kunt het ook anders formuleren. Namelijk dat je alles in het leven kunt reduceren tot de oermotivatie 'Omdat ik eenzaam ben'. Alleen als je het schrijft, geef je het volmondig toe, tussen de regels door, en als je politiek bedrijft of een warme bakkerij bezit, ontken je het juist. Twee gevangenen op één cel zetten of pasteitjes bakken dient de mensheid, terwijl een boek schrijven voornamelijk alleen jezelf dient. Goed, elke tevreden lezer is er één die je gediend hebt, maar het blijft bij schrijven altijd draaien om het Ego. En de mensen die je ogenschijnlijk zo graag om je heen wilt hebben als luisteraar en volgeling, wil je tegelijkertijd vaak ook niet te dicht in je buurt hebben. En wat dat betreft is schijnbare filantropie is nog altijd huichelachtiger dan oprechte misantropie en narcisme, dus schrijf ik in plaats van speeches afsteken of kadetjes rollen.

Oké, volgend onderwerp dan maar. Schrijf je echt om de demonen in je hoofd te bezweren, of is dat maar een pseudo-intellectuele dekmantel? Een klein beetje bezwering zit er wel in, maar niet van demonen, maar van onzekerheid. Provoceren leidt tot aandacht met gepast wantrouwen als intimiteit: I love to be hated is misschien niet waar, I hate to be loved helaas des te meer. Een beetje Sturm und Drang in een glas water, zeg maar.

Wil je de wereld iets tonen wat ze nog niet kent? Wat? Dat er geen verschil is tussen God als leugen en als leugenaar? Dat lasagne met vegetarisch vlees net zo lekker is? Alles wat de wereld nog niet kent, moet ze zelf maar uitvogelen. Ze zit nu op dit moment eerder nog in een hardnekkige ontkenningsfase en daar doet de beste therapeut niets aan - alleen vadertje tijd, en die is seniel geworden.

Wass will der Mann nu eigenlijk? Schreiben und gefunden werden im Schatten der Weib. Meer regels zijn aan deze vraag niet te besteden, of het zouden al bedekte variaties moeten zijn op dezelfde stelling, en dan betreden we het genre van de salontafelfilosofie.

Dat moet toch specifieker. Dat is jouw mening en het gaat hier volgens mij om de mijne.

Also, iets geheel anders dan. Heeft het verblijf in het plaatselijke `koekoeksnest', of gewoonweg het gekkengesticht, invloed gehad op jouw schrijven? Heeft het geleid tot bepaalde onderwerpen en thema's die dominant zijn in jouw verhalen en gedichten? Krankzinnigheid of creativiteit, ofwel: wat was er het eerst, de kip of het ei? Eenzaamheid heeft binnen de witte muren een lichaam gekregen. De waanzin werd tastbaar en nog meer: duidbaar. En alles wat duidbaar is kun je beschrijven. Dus ook ik, mezelf. Voor die tijd was ik een Man zonder Eigenschappen; nu ben ik er een met vele, al zijn het vaak nog de verkeerde. Het geeft je wel een identiteit, net als seks en schrijven. Meer kan ik er niet van zeggen.

Zou je je graag ingedeeld zien in de rij Hanlo, Biesheuvel, Bert Weijde en Jan Arends? Hanlo ken ik niet, en volgens sommigen is dat maar goed ook; Bert Weijde wijdde met zijn ene nagelaten boek Onder het ijs te lang uit over niets; Biesheuvel was al vrij gauw een parodie op zichzelf geworden, en op anderen; en Jan Arends heeft in zijn kleine oeuvre eigenblijk al teveel geschreven. De verleiding is dan ook niet groot, en gelukkig maar; jezelf in zo'n rij voegen is wat dit betreft net krankzinnigheid zelf: eenmaal erin kom je nooit meer uit. Het vakjes- en labelsyndroom dus. Literair gezien misschien een zegen, maar sociaal een vloek.

Hoe zou je je eigen literatuur dan willen kenmerken? Ik ben strikt en stellig van mening dat de enige die niets over een bepaald werk kan zeggen, waar ook maar enige zinnigheid in zit, de schrijver zelf is. Het gaat er nooit om wat hij er in stopt, maar alleen wat de lezer er uit haalt. Schrijvers hebben recht van schrijven, niet van spreken.

In welke discipline voel je je het beste? Het schrijven van poëzie of proza? Edward Hopper-achtige 'verstillingsschetsen' zonder storende, verplichte verhaallijnen. Mijn favoriete verhalen in mijn eigen De vrouw in de kamer zijn de meditatie en literaire verpozingen zoals 'Avond op een hoek van enkele straten', 'Bruine bonen', 'Nachtschade', 'Wereld van glas', en mijn lievelingsverhaal 'Just another lovesong'. Poëtisch proza dus. Een antwoord waar je dus weinig mee opschiet, wat dan ook weer de bedoeling van mij is, dus hierbij schiet jij niets op, en ik weer wel.

Vanwaar je obsessie met pornografie? Waar ligt haar oorsprong? De oorsprong van pornografie ligt ook in Eenzaamheid, maar dat is eigenlijk de oorsprong van alles; zelfs van God en politiek. Ik ben een voyeur en zie graag seks, lees graag seks en maak mezelf wijs dat ik op die manier intimiteit in mijn leven heb. In het titelverhaal 'De vrouw in de kamer' zegt een jonge vrouw dat ze porno opwindend vindt, maar niet omwille van de seks maar omdat de vrouwen in de film die 'bezig zijn' wéten dat zij door haar bekeken worden en dit opwindend vinden. De jonge vrouw weet weer dat zij als 'gluurder' betrapt is door de seksmodellen en dát is hetgeen wat haar opwindt. Een soort metavoyeurisme, spel en tegenspel, een wisselwerking. Het is ZIEN EN GEZIEN WORDEN waar het bij mij allemaal om draait, en dat is weer een variatie op LEZEN EN GELEZEN WORDEN. Wordt de cirkel toch nog rond vandaag.

Nog niet helemaal rond: je treedt nauwelijks of niet meer op. What went wrong? In de tien jaar of zo dat ik zo hier en daar optrad, kreeg ik steevast dezelfde reacties: wat ik voordroeg was goed, maar mijn houding was die van een literair autist die amper contact had met het publiek: mijn sociale reikwijdte beperkte zich tot de microfoon. De woorden waren er wel, maar de stem erachter was nauwelijks zichtbaar. Mijn grote muzikale en literaire held Nick Cave is een voordrachtskunstenaar pur sang: Een razend podiumbeest, doorgedraaide mad preacher en stille melancholicus tegelijkertijd. Soms moet zo iemand untouchable blijven, een onbereikbare held en geen inspiratiebron voor jezelf, wanneer je diep in je hart weet dat het uiteindelijk toch tot weinig anders dan niets kan leiden.

Wel ben je nu weer bezig in het recente novembernummer van Passionate… Ja, een nieuw verhaal van mij, “Tango in het slachthuis”, moet ik zeggen toch wel erg goed geworden. Daarbij heb ik ook het verhaal “The Greater festival of masks” van de Amerikaanse schrijver en literaire kluizenaar Thomas Ligotti vertaald en mogen voorzien van een inleidend interview dat ik de man zelf heb mogen afnemen. Er is dus nog hoop. I’ll may be back…

 

Klik door naar de verhalenbundels van Yorgos Dalman: De vrouw in de kamer en Tango en het slachthuis

 
< Vorige   Volgende >